Oberstadt, Carl

Tilburg, 1871
Den Haag, 1940
 
 
Sonate opus 6
jaar van compositie: ?
delen:
1. Allegro
2. Adagio
3. Allegro con impeto
4. Allegro con affetto
tijdsduur: n.t.b.;
uitgever: Breitkopf & Härtel, Bruxelles 19–;
opgedragen aan Charles van Isterdaël;
vindplaats: Nederlands Muziek Instituut, Muziekbibliotheek van de Omroep. 
 
Carls vader Ferdinand vestigde zich in 1870 vanuit Duitsland in Tilburg als ingenieur-werktuigkundige van de Centrale Werkplaats van de Staatsspoorwegen. Hij was zeer in muziek geïnteresseerd en naar verluidt kwam Clara Schumann bij de familie thuis musiceren.
Carl Oberstadt studeerde bij haar aan het Conservatorium van Frankfurt en zette zijn studie daarna voort in Berlijn bij Ernst Rudorff (piano) en Woldemar Bargiel (compositie). In 1894 werd hij aangesteld als pianodocent aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag. Als pianist vormde hij onder meer een pianokwintet met de leden van het Haagsch Toonkunst Kwartet, waarvan Charles van Isterdaël de cellist was.
Het œuvre van Carl Oberstadt beval een groot aantal liederen en vrij veel kamermuziek (pianotrio’s, strijkkwartetten, een pianokwintet en een strijkkwintet). Onder de concertante werken treffen we een celloconcert in d-klein (evenals de sonate opgedragen aan Van Isterdaël), een Adagio en een Andante voor cello en orkest, Prière du soir dans le désert voor cello met begeleiding van piano of orkest, en daarnaast een Suite voor cello, piano en strijkers en een Suite voor altviool, cello en orkest.
 
De cellosonate is een aardig werk, geschreven vanuit de romantische traditie waarin Oberstadt was opgeleid. Maar ze gaat wel al te veel gebukt onder een bepaalde eenvormigheid: heel veel relatief lange noten in de cello moeten het opnemen tegen vaak heel veel noten of veel repeterende akkoorden in de piano, die bijvoorbeeld de stormachtigheid van het eerste deel bepalen. Het Adagio in 6/4 presenteert zijn thema in de volle sonoriteit van piano-akkoorden, maar varieert vervolgens ook wat eenzijdig vanuit dat instrument. Het derde deel, in 3/4 met een opmatig metrum, is wellicht het meest geslaagd. Het vierde deel vertoont weer dezelfde problematiek als het eerste deel.
 
 
(16 augustus 2014, geactualiseerd 29 september 2016)