Salatiga (Java), 2 september 1887
Amsterdam, 29 maart 1965
 
 
Suite
1938
delen:
1. Introduction – Scherzo
2. Elegie
3. Burlesque
tijdsduur: n.t.b.;
uitgever: Donemus, Amsterdam 1949;
opgedragen aan Marix Loevensohn.
 
Elegie
1938
tijdsduur: n.t.b.;
uitgever: Donemus, Amsterdam 1950.
 
 
De website van Donemus geeft de volgende biografie van Anny Mesritz-van Velthuysen:
 
“Zij studeerde piano bij Carel Wirtz en compositie bij Henri Viotta aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag, waar zij in 1907 de eerste prijs voor piano en in 1908 de Nicolaï-prijs voor compositie kreeg. Daarna studeerde zij aan het Brussels Conservatorium bij Arthur de Greef en aan de Muziekacademie te Berlijn bij Ernst von Dohnányi. Vanaf 1914-1916 studeerde zij compositie in Amsterdam bij Cornelis Dopper. 
Anny van Velthuysen begon haar carrière als pianiste met een tournee door het toenmalige Nederlands-Indië. Kort na deze tournee (in 1911) trouwde zij met Siegfried Mesritz. Met haar man en dochtertje (later, in 1919, werd haar zoon geboren) vertrok zij in 1914 naar Europa en vestigde zich in Amsterdam. Zij trad als pianosoliste op met de symfonieorkesten in Nederland; zij gaf pianoles en begeleidde instrumentalisten en zangers, waaronder Ilona Durigo, Berthe Seroen, Harriët van Emden en Noëmie Perugia.
Van haar talrijke composities hebben die voor orkest veel tot haar bekendheid bijgedragen. De eerste uitvoering van haar Thema met variaties vond plaats op 30 november 1916 door het Concertgebouworkest onder leiding van Cornelis Dopper. De Fantasie voor piano en orkest en Poème voor alt en orkest werden op 7 maart 1918 in première gebracht door het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg. In eerstgenoemd werk was de componiste de soliste, in de Poème Ilona Durigo. 
Voor Mars, geschreven ter gelegenheid van het 600-jarig bestaan van Amsterdam, kreeg zij de eremedaille van de stad”.
 
Met name in de jaren 1930 en 1940 heeft Anny Mesritz-van Velthuysen een behoorlijk aantal kamermuziekwerken en liederen geschreven. Daartoe behoren, naast de twee composities voor cello en piano, onder meer een Pianotrio (1936) en Drie liederen (op Franse tekst van Madeleine Luka) voor mezzosopraan, fluit, cello en piano (1945). Een bijzondere bezetting heeft Riwajat Kampong voor middenstem, hobo, piano en strijkkwartet (1940).
Genoemde werken kenmerken zich op het eerste gezicht door een kleurrijk en fris palet en door een transparante schrijfstijl, zodat het de moeite waard lijkt het grotendeels uit het oog verloren oeuvre nader te bestuderen.
 
 
(28 december 2014)