Osieck, Hans

Amsterdam, 25 januari 1910
Bloemendaal, 22 juni 2000
 
 
Deux pièces
1991
delen:
1. Intermezzo
2. Air et Mouvement perpétuel
tijdsduur: circa 10′;
uitgever: Donemus, Amsterdam 1991;
opgedragen aan Sida en Wesley Roberts;
eerste uitvoering: Columbia, Kentucky, 20 februari 1992, door Sida en Wesley Roberts.
 
 
Hans Osieck studeerde piano bij Piet Vincent en aansluitend bij Walter Rehberg en Max Pauer aan de Musikhochschule in Stuttgart. Later vervolgde hij zijn studie nog bij Yvonne Lefébure in Parijs. Als componist is hij nagenoeg autodidact, al kreeg hij tijdens zijn studie in Stuttgart adviezen van o.a. Felix Petyrek, zelf een leerling van Franz Schreker en Guido Adler. Als pianosolist trad hij op, ook in eigen concertante composities, onder dirigenten als Carl Schuricht, Sergiu Celibidache, Rafael Kubelik en Eduard van Beinum.
Osiecks componeertrant, die aanvankelijk wortelt in een romantische traditie met een Slavische ondertoon, ontwikkelt zich in de loop van de jaren in een meer Frans georiënteerde richting. Daarbij valt een zielsverwantschap met de componisten van de groupe des Six op, vooral Poulenc maar ook soms Milhaud. Veel van zijn kamermuziekwerken zijn speels en vaak gebaseerd op een bewust naïeve thematiek. De ‘homo ludens’ in hem leeft zich vaak uit in de variatietechniek. Voorbeelden zijn de Suite concertante (1959) voor piano vierhandig en orkest, het Concert (1960) voor trompet en orkest, de Sonatine (1961) voor hobokwartet, de Tweede Sonatine (1965)  voor piano en ook nog de Variaties over het Nederlandse liedje ‘Vier weverkens’ (1968). In 1963 schreef hij ook een celloconcert.
In de Notenkraker-periode begint Osieck aan de actualiteit van zijn muziektaal te twijfelen en verdiept hij zich bijvoorbeeld alsnog in de muziek van de Tweede Weense School. Zijn composities uit die tijd lijken zich in een soort abstractheid te verliezen.
 
Het leuke aan Deux pièces, de laatste compositie op Osiecks werkenlijst, is dat hij er terugkeert naar zijn muzikale persoonlijkheid van 30 jaar terug.
Het Intermezzo is, volgens een brief van Wesley Roberts, al gecomponeerd in 1989. Het is gebaseerd op een motief van drie noten: b – d – a. Als men voor ‘b’ ‘si’ leest, krijgt men de voornaam Sida. De volledige titel van het eerste stuk is dan ook “Intermezzo pour Sida sur trois notes qui sont très aimables”. De thematiek is navenant naïef. Na een inleiding van vier maten leidt een korte cellocadens naar het eigenlijke Intermezzo: andante – cadens – scherzando (allegretto e leggiero) – cadens – tempo I – morendo.
Twee overgangsmaten moduleren vervolgens naar het tweede stuk; Air et mouvement perpétuel. Dit hele stuk is in hetzelfde tempo gehouden, maar de Air is tranquillo e poco rubato en de Mouvement perpétuel vivace amabile en non rubato. De behandeling van de pianopartij doet hier aan Poulenc denken, maar, grappig genoeg, niet die van de Mouvements perpétuels maar een latere. Het coda besluit de compositie met een lang uitstervend akkoord.
 
literatuur:
Paul Janssen, Hans Osieck, Een portret (mcn, Amsterdam z.j.)
 
 
(27 augustus 2014)