Haarlem, 29 november 1904
Rotterdam, 25 mei 1984
 
 
Sonate
1928
autograaf in het Nederlands Muziekinstituut in Den Haag;
eerste uitvoering (uit het manuscript): Utrecht, 6 juni 1930 door Marix Loevensohn en Piet Ketting;
editie Otto Ketting, 2008;
delen:
1. Lento
2. Poco Allegro – Lento
tijdsduur: circa 15′;
uitgever: MCN/Donemus, Amsterdam, 2008;
eerste uitvoering van deze versie: Amsterdam, 22 oktober 2008 door Doris Hochscheid en Frans van Ruth.
 
 
Piet Ketting werd in 1926 toegelaten tot het Utrechts Conservatorium en studeerde zang en koordirectie bij Jan Dekker, instrumentatie bij Evert Cornelis en compositie bij Willem Pijper. In 1930 werd hij benoemd tot docent theoretische vakken, koordirectie en compositie aan het Conservatorium van Rotterdam, een functie die hij tot 1956 zou vervullen. Van 1946 tot 1949 was hij tevens directeur van het Amsterdams Muzieklyceum. Tot 1960 was hij dirigent van het Rotterdams Kamerorkest en van het Rotterdams Kamerkoor.
Als pianist zette Ketting zich vooral in voor de nieuwe muziek. In 1935 vormde hij een succesvol trio met de fluitist Johan Feltkamp en de hoboïst Jaap Stotijn. In datzelfde jaar kwam het tot een breuk met Willem Pijper, die klaarblijkelijk vond dat Ketting zich meer op het componeren moest richten.
Ketting verrichtte veel (niet gepubliceerd) onderzoek naar de getallenmystiek in het werk van J.S. Bach en publiceerde twee studies over Debussy.
In de vroegste werken, bijvoorbeeld de Vier Sonatines voor piano (1926-1929) en de Trio Sonate voor fluit, basklarinet en piano (1928), is de invloed van Kettings leermeester Pijper duidelijk waarneembaar. Geleidelijk aan treedt echter een versobering op, gepaard gaand met het toenemend belang van langere, vocaal aandoende lijnen. De Three Shakespaere Sonnets uit 1938 (met een révérence naar de het jaar daarvoor overleden Franse componist Albert Roussel) behoren tot de hoogtepunten van het Nederlandse liedrepertoire.
Voor de Vier gedichten van Martnus Nijhoff voor mezzosopraan en kamerorkest werd Ketting in 1973 onderscheiden met de Visser Neerlandiaprijs. In 1976 kreeg hij de Willem Pijperprijs van de Johan Wagenaarstichting voor Preludium, Interludium e Postludium per due pianoforti (1971).
Enige jaren na de (eerste) Cellosonate werkte Piet Ketting serieus aan een tweede cellosonate. Het werk werd echter nooit voltooid (archief Piet Ketting in het Nederlands Muziekinstituut). Wel componeerde hij in 1964 een 45 minuten durende Sinfonia per violoncello solo e orchestra, waarvan in 1965 Anner Bijlsma de eerste uitvoering gaf.
 
De Sonate bestaat uit twee delen, die voor een belangrijk deel op hetzelfde materiaal gebaseerd zijn. Het Lento van het tweede deel herneemt zelfs het eerste thema van het eerste deel (Lento), wat de sonate een afgerond karakter verleent. Invloeden van leermeester Pijper zijn, behalve in het gebruik van allerlei instrumentale kleuren, aanwezig in de vorm van typische resultaten van diens kiemceltechniek: tal van minieme transformaties, polymetriek en polytonaliteit. Tegelijk echter ontwikkelt de melodiek zich soms al in langere lijnen dan vaak bij Pijper het geval is. In het eerste deel wordt het Lento (Tempo I) verrassend en heftig onderbroken door een Energico (Tempo II) met een hooggezongen cellomelodie voortgejaagd door een frenetiek en percussief ritme in de piano. Dit ritme zal later in Tempo I juist weer een fluisterend cantabile ondersteunen.
Enkele 5/8 maten vlak voor het einde van het eerste deel lijken een haast onmerkbare voorafschaduwing van de 6/8 maatsoort van het tweede deel. Het deel eindigt in nagenoeg volledige verstilling, waarbinnen twee keer een ritmisch tertsmotief (bes-bes-des-bes), ontleend aan een eerder mysterioso, nog een suggestie van beweging geeft.
Het Poco Allegro van het tweede deel heeft hoofdzakelijk een 6/8 maat (soms 9/8) die in principe binair gedacht is, hoewel de cellomelodie soms het karakter van een 3/4 maat aanneemt. Het deel is rijk aan snelle contrasten en markante accenten en geeft aanleiding tot veel (samen)speelvreugde. Opvallend zijn bijvoorbeeld een onverwachte, naar de reprise van het Allegrothema leidende rubato solo (quasi cadenza) van de cello, enkele met jazzritmes flirtende passages, en een bijzonder opzwepend ostinato, dat op zijn hoogtepunt plotseling zwijgt en, attacca subito, wordt gevolgd door het Lento.
Daarin leidt een gepuncteerde figuur in beide instrumenten op een indrukwekkend orgelpunt tot een eerste climax. Wanneer die tot zwijgen is gekomen, voert een ostinato op het eerder genoemde tertsmotief kalm naar het einde, de laatste noten als de laatste druppels van een uitdruipende boom.
 
opname:
zie Discografie
 
 
(november 2008)

Componisten

Alkema, Henk

Harlingen, 20 november 1944
Utrecht, 4 augustus 2011

Appy, Ernest

Den Haag, 25 oktober 1834
Kansas City, 2 augustus 1895

Badings, Henk

Bandoeng (Java), 17 januari 1907
Maarheeze, 26 juni 1987

Bijvanck, Henk

Koedoes (Java), 6 november 1909
Heemstede, 5 september 1969

Bouman, Antoon

’s Hertogenbosch, 18 oktober 1854
Wassenaar, 23 maart 1906

Bunge, Sas

Amsterdam, 19 juli 1924
Utrecht, 17 juli 1980

Dispa, Robert

Sint-Pieters-Leeuw (België), 19 september 1929
Hengelo (O), 6 maart 2003

Frid, Géza

Máramarossziget (Hongarije, thans Roemenië), 25 januari 1904
Beverwijk, 13 september 1989

Godron, Hugo

Amsterdam, 22 november 1900
Zoelmond, 6 december 1971

Kes, Willem

Dordrecht, 16 februari 1856
München, 22 februari 1934

Ketting, Otto

Amsterdam, 3 september 1935
Den Haag, 13 december 2012

Lilien, Ignace

Lemberg (thans Lviv, Oekraïne), 29 mei 1897
Den Haag, 10 mei 1964

Mul, Jan

Haarlem, 20 september 1911
Haarlem, 30 december 1971

Osieck, Hans

Amsterdam, 25 januari 1910
Bloemendaal, 22 juni 2000

Stam, Henk

Utrecht, 26 september 1922
Suawoude, 9 december 2002

Witte, G. H.

Utrecht, 16 november 1843
Essen (D), 3 februari 1929