Breda, 19 mei 1876
Hoenderloo, 20 mei 1951
 
 
Sonate [no.1]
1919
Allegro moderato – Poco largo – Allegro
tijdsduur: circa 12′;
uitgever: Editions Maurice Senart, Paris (z.j.);
vindplaats: Nederlands Muziek Instituut.
 
Deuxième Sonate
Quasi una fantasia
1922
Moderato – Poco largo – Moderato – Allegro
tijdsduur: circa 9′;
uitgever: Editions Maurice Senart, Paris (z.j.);
vindplaats: Nederlands Muziek Instituut.
 
 
De aan Jan Ingenhoven gewijde website bevat een biografie en presenteert tevens een aantal gedachten en opvattingen over zijn werk die door tijdgenoten, zoals Matthijs Vermeulen en Daniel Ruyneman, en latere auteurs geformuleerd zijn.
 
 
Jan Ingenhoven heeft zelf genoteerd dat zijn 2 Vioolsonates en 2 Cellosonates als de 4 jaargetijden zijn. De Eerste Vioolsonate (1919-20) vertegenwoordigt dan de lente, de Tweede Vioolsonate (1921) de zomer, de Eerste Cellosonate (1919) de herfst en de Tweede Cellosonate (1922) de winter. Hij voegt er echter aan toe: “… doch deze nevenidee zag ik eerst later”. De analogieën ontstonden “onbewust”, er is geen sprake van een “grondprinciep”. Maar het lijkt inderdaad alsof de vier sonates als het ware met dezelfde inkt geschreven zijn.
Een tijdgenoot-componist die, naast Vermeulen, het werk van Ingenhoven op zijn waarde wist te schatten was Daniel Ruyneman.
In zijn bespreking van de Eerste Vioolsonate – maar het geldt voor alle vier sonates – merkt hij op dat zij “te waarderen en te verstaan [is] uit de perspectieven en het ontwikkelingsproces der nieuwere muziek; deze eischt weer zijn zelfbestemmingsrecht, ontdoet zich van literaire inventies en iedere programmatische bedoeling, en zelfs van den aan den adem gebonden en van het zangmetrum afkomstige melos”. En hij vervolgt: “De poly-rhythmiek van dit werk stelt den uitvoerenden wellicht voor problemen.
De interpretatie-techniek stelt hier evenals aan vele andere werken van den nieuweren tijd den eisch, de tel-eenheden als uitgangspunt voor de beweging te nemen”. En tenslotte: “Zeer weinigen kunnende steunen op historische voorbeelden, kwam men terwille van een ingenieusen gang der stemmen, soms tot notaties, welke achteraf bleken het volledige beeld onnoodig te hebben gecompliceerd en waardoor de overzichtelijkheid werd geschaad. Ook bij Ingenhoven is dit op enkele plaatsen het geval.
De ongeduldige, soms ook ongeschoolde executant zal geneigd zijn het werk om die reden ter zijde te leggen. (Dit ware onjuist.) Het werk stèlt geen zware eischen.
Een ernstig indringen in de persoonlijke schrijfwijze van Ingenhoven brengt den oogst van een muziek, die boeit door delicate schoonheid, klare gedachten, gaafheid van vorm en persoonlijk vakmanschap”.
De Eerste Cellosonate bestaat uit drie in elkaar overvloeiende bewegingen. Ruyneman beschrijft haar als volgt: “Harpachtige subtiele accoord-reeksen vormen contrapuntische tegenstellingen met de cellopartij, die met vloeiende cantilenen en figuraties de pianopartij omspelen, waardoor dit eerste deel het karakter van een “praeludium” verkrijgt en waardoor tevens het overvloeien in het tweede deel “Adagio” uit aesthetische gronden verklaarbaar is. Het tweede deel is een dialoog tusschen de cello- en de pianopartij. Een cadens voor pianosolo brengt vervolgens de verbinding tot stand tusschen dit deel en het “Allegro scherzando”. Een rhythmisch motief vormt de basis van deze finale-satz en wekt herinneringen aan een motief uit het eerste deel. … Fantastisch en uitbundig volgen de poly-rhythmische combinaties elkaar op, zonder een oogenblik de eenvoud en logischen gang van het geheel in gevaar te brengen. Een geïnspireerd en spontaan geschreven werk.”

De Tweede Cellosonate heeft als ondertitel Quasi una fantasia. Een eerste Moderato verschijnt in een beweging van steeds anders gearticuleerde achtstenpatronen in de cello die een op motiefherhalingen gebaseerde en geoctaveerde melodische lijn in de piano omspelen. Op een geraffineerde manier versnellen de achtsten zich tot achtstensextolen met een meer expliciet melodisch karakter. In de piano worden zacht ondersteunende akkoorden toegevoegd.
Wanneer de cello terugkeert naar een reguliere achtstenbeweging, verschijnen in de piano halvenotentriolen, die overgaan in uitstervende kwintherhalingen en aldus in een kort Poco largo.
De cello speelt hierin een aaneenschakeling van arabesken, ondersteund door voornamelijk langklinkende akkoorden en zachte tremolo’s in de piano. Uiteindelijk neemt de piano de melodische lijn van de cello over en leidt een lange stilte in. Daarna keert het Moderato terug in een sterk gevarieerde en uitgewerkte vorm. Via een poco a poco accelerando vloeit dit over in een Allegro waarvan de begeleidingsfiguur de idee van het Moderato voortzet maar waarin ook nieuwe ritmische motieven opduiken. Nadat de cello zich heeft uitgeleefd in enige fraaie melismen, rustig beantwoord door de piano en waarvan de laatste de dimensie van een echte solocadens aanneemt, bereikt de Sonate bijna onopgemerkt haar einde. Zoals Ruyneman terecht concludeert: “Een speelstuk, dat eer bekoort door intense muzikaliteit dan door uiterlijk effect en virtuositeit”.

literatuur:
Daniel Ruyneman, De Componist Jan Ingenhoven (Amsterdam, N.V. De Spieghel, z.j.)

opname van beide sonates:
Doris Hochscheid en Frans van Ruth, Dutch Cello Sonatas, vol.3
aanvullende discografische suggestie: beide vioolsonates, door Ilona Then-Bergh en Michael Schäfer, op GENUIN cat.nr. GEN 14312 (2014)
 
 
(mei 2007)
 

Componisten

Alkema, Henk

Harlingen, 20 november 1944
Utrecht, 4 augustus 2011

Appy, Ernest

Den Haag, 25 oktober 1834
Kansas City, 2 augustus 1895

Badings, Henk

Bandoeng (Java), 17 januari 1907
Maarheeze, 26 juni 1987

Bijvanck, Henk

Koedoes (Java), 6 november 1909
Heemstede, 5 september 1969

Bouman, Antoon

’s Hertogenbosch, 18 oktober 1854
Wassenaar, 23 maart 1906

Bunge, Sas

Amsterdam, 19 juli 1924
Utrecht, 17 juli 1980

Dispa, Robert

Sint-Pieters-Leeuw (België), 19 september 1929
Hengelo (O), 6 maart 2003

Frid, Géza

Máramarossziget (Hongarije, thans Roemenië), 25 januari 1904
Beverwijk, 13 september 1989

Godron, Hugo

Amsterdam, 22 november 1900
Zoelmond, 6 december 1971

Kes, Willem

Dordrecht, 16 februari 1856
München, 22 februari 1934

Ketting, Otto

Amsterdam, 3 september 1935
Den Haag, 13 december 2012

Lilien, Ignace

Lemberg (thans Lviv, Oekraïne), 29 mei 1897
Den Haag, 10 mei 1964

Mul, Jan

Haarlem, 20 september 1911
Haarlem, 30 december 1971

Osieck, Hans

Amsterdam, 25 januari 1910
Bloemendaal, 22 juni 2000

Stam, Henk

Utrecht, 26 september 1922
Suawoude, 9 december 2002

Witte, G. H.

Utrecht, 16 november 1843
Essen (D), 3 februari 1929