Breda, 19 mei 1876
Hoenderloo, 20 mei 1951
 
 
Sonate [no.1]
1919
Allegro moderato – Poco largo – Allegro
tijdsduur: circa 12′;
uitgever: Editions Maurice Senart, Paris (z.j.);
vindplaats: Nederlands Muziek Instituut.
 
Deuxième Sonate
Quasi una fantasia
1922
Moderato – Poco largo – Moderato – Allegro
tijdsduur: circa 9′;
uitgever: Editions Maurice Senart, Paris (z.j.);
vindplaats: Nederlands Muziek Instituut.
 
 
Aanvankelijk trad Jan Ingenhoven vooral op als koordirigent in Breda en Dordrecht. Ook zong hij en speelde hij klarinet. Als componist was hij hoofdzakelijk autodidact, al had hij rond 1902-03 wel enige tijd compositieles bij Ludwig Felix Brandts Buys.
Na zijn huwelijk in 1905 vertrok hij in 1906 naar München. Daar studeerde hij compositie bij Felix Mottl en was hij buitengewoon actief in het concertleven. Van 1906 tot 1909 was hij dirigent van de Münchener Orchester Verein en van het Philharmonisches Orchester. Hij voerde er werken van Nederlandse tijdgenoten als Alphons Diepenbrock, Dirk Schäfer, Charles Smulders, Johan Wagenaar en ook van zichzelf uit en introduceerde er orkestwerken van Claude Debussy, zoals de Prélude à l’après-midi d’un faune en La Mer.
Van 1909 tot 1912 leidde hij de Münchener Madrigal-Vereinigung, een solisten-ensemble waarmee hij werken ten gehore bracht van Palestrina en Monteverdi tot Debussy. In deze periode schreef hij onder meer zijn drie strijkkwartetten en een blaaskwintet.
In 1913 besluit hij zich nog uitsluitend aan het componeren te wijden, maar het Nederlandse muziekleven zal met name na de eerste wereldoorlog nauwelijks nog van zijn bestaan op de hoogte zijn. “… sigaartje, oude klare en aan zee liggen… ’n treurig land voor muziek”, schrijft hij in 1926 niet zonder cynisme aan muziekuitgever Alsbach.
Toch had niemand minder dan Matthijs Vermeulen hem ‘een geniaal kunstenaar’ genoemd en zijn muziek als volgt beschreven: “Ieder detail van Ingenhoven’s techniek is persoonlijk, levend en bezield; het ritme fantastisch, onuitputtelijk in schakeringen en onverbrijzeld in ’t broze veelvoud, een mysterieuze eenheid. Het steunt op de melodieën, welke jong zijn, gloeiend, sonoor, demonisch en altijd de effusie van de mens met een hart, oer-sterke individualiteit en mooie psyche; zijn conceptie visionnair en bruusk, maar gedragen en stevig van vorm; een melodische structuur: klaar, slank en meeslepend; meesterwerk van geleidelijke lijn en overlaaiende inventie”.
Ingenhoven componeert op het eerste gezicht allesbehalve gemakkelijk, in een moderne polyfone stijl gebaseerd op melismen en arabesken. De melodische lijnen verlopen in grote zelfstandigheid – in deze zin vertoont zijn muziek sterke verwantschap met die van Matthijs Vermeulen – , vol subtiele ritmische nuances en in een dynamiek die zelden het mezzoforte overschrijdt en daarentegen talrijke pianissimo’s kent.
Het in die tijd befaamde Zalsman Kwartet moet in 1910 de in München geprogrammeerde eerste uitvoering van de 4 Quatuors à voix mixtes uit angst voor een debacle afzeggen. Wanneer ze vijf jaar later in Amsterdam worden uitgevoerd door de Madrigaal Vereeniging onder leiding van Sem Dresden schrijft Vermeulen: “Ik wens Sem Dresden en zijn koortje geluk. Wederom heeft Ingenhoven, die tegenwoordig in St. Cloud zit bij Parijs, zich kunnen openbaren als een groot meester.
Zijn Nous n’irons plus au bois, muziek op een vers van de Banville, is de vermetelste en de meest broze kunst, welke ik weet niet sinds hoe lang geschreven werd; het prismatische der nuances is zo subtiel en rijk aan kleur en betovering, dat ik een hoera aanhef op de afwezige Ingenhoven en vurig verlang dit werkje spoedig weer te horen”.
Na een Sonate voor klarinet en piano uit 1917, schrijft Ingenhoven tussen 1919 en 1992 zijn twee Vioolsonates en zijn twee Cellosonates. In 1926 volgt een Kammermusik in fünf Sätzen voor klarinet en strijktrio.
Na de dood van zijn vrouw in 1929 komt de stem van Ingenhoven tot zwijgen en leeft hij teruggetrokken in Hoog-Soeren bij Apeldoorn. Hij laat zo’n 60 composities na.
 
Jan Ingenhoven heeft zelf genoteerd dat zijn 2 Vioolsonates en 2 Cellosonates als de 4 jaargetijden zijn. De Eerste Vioolsonate (1919-20) vertegenwoordigt dan de lente, de Tweede Vioolsonate (1921) de zomer, de Eerste Cellosonate (1919) de herfst en de Tweede Cellosonate (1922) de winter. Hij voegt er echter aan toe: “… doch deze nevenidee zag ik eerst later”. De analogieën ontstonden “onbewust”, er is geen sprake van een “grondprinciep”. Maar het lijkt inderdaad alsof de vier sonates als het ware met dezelfde inkt geschreven zijn.
Een tijdgenoot-componist die, naast Vermeulen, het werk van Ingenhoven op zijn waarde wist te schatten was Daniel Ruyneman.
In zijn bespreking van de Eerste Vioolsonate – maar het geldt voor alle vier sonates – merkt hij op dat zij “te waarderen en te verstaan [is] uit de perspectieven en het ontwikkelingsproces der nieuwere muziek; deze eischt weer zijn zelfbestemmingsrecht, ontdoet zich van literaire inventies en iedere programmatische bedoeling, en zelfs van den aan den adem gebonden en van het zangmetrum afkomstige melos”. En hij vervolgt: “De poly-rhythmiek van dit werk stelt den uitvoerenden wellicht voor problemen.
De interpretatie-techniek stelt hier evenals aan vele andere werken van den nieuweren tijd den eisch, de tel-eenheden als uitgangspunt voor de beweging te nemen”. En tenslotte: “Zeer weinigen kunnende steunen op historische voorbeelden, kwam men terwille van een ingenieusen gang der stemmen, soms tot notaties, welke achteraf bleken het volledige beeld onnoodig te hebben gecompliceerd en waardoor de overzichtelijkheid werd geschaad. Ook bij Ingenhoven is dit op enkele plaatsen het geval.
De ongeduldige, soms ook ongeschoolde executant zal geneigd zijn het werk om die reden ter zijde te leggen. (Dit ware onjuist.) Het werk stèlt geen zware eischen.
Een ernstig indringen in de persoonlijke schrijfwijze van Ingenhoven brengt den oogst van een muziek, die boeit door delicate schoonheid, klare gedachten, gaafheid van vorm en persoonlijk vakmanschap”.
De Eerste Cellosonate bestaat uit drie in elkaar overvloeiende bewegingen. Ruyneman beschrijft haar als volgt: “Harpachtige subtiele accoord-reeksen vormen contrapuntische tegenstellingen met de cellopartij, die met vloeiende cantilenen en figuraties de pianopartij omspelen, waardoor dit eerste deel het karakter van een “praeludium” verkrijgt en waardoor tevens het overvloeien in het tweede deel “Adagio” uit aesthetische gronden verklaarbaar is. Het tweede deel is een dialoog tusschen de cello- en de pianopartij. Een cadens voor pianosolo brengt vervolgens de verbinding tot stand tusschen dit deel en het “Allegro scherzando”. Een rhythmisch motief vormt de basis van deze finale-satz en wekt herinneringen aan een motief uit het eerste deel. … Fantastisch en uitbundig volgen de poly-rhythmische combinaties elkaar op, zonder een oogenblik de eenvoud en logischen gang van het geheel in gevaar te brengen. Een geïnspireerd en spontaan geschreven werk.”
 
De Tweede Cellosonate heeft als ondertitel Quasi una fantasia. Een eerste Moderato verschijnt in een beweging van steeds anders gearticuleerde achtstenpatronen in de cello die een op motiefherhalingen gebaseerde en geoctaveerde melodische lijn in de piano omspelen. Op een geraffineerde manier versnellen de achtsten zich tot achtstensextolen met een meer expliciet melodisch karakter. In de piano worden zacht ondersteunende akkoorden toegevoegd.
Wanneer de cello terugkeert naar een reguliere achtstenbeweging, verschijnen in de piano halvenotentriolen, die overgaan in uitstervende kwintherhalingen en aldus in een kort Poco largo.
De cello speelt hierin een aaneenschakeling van arabesken, ondersteund door voornamelijk langklinkende akkoorden en zachte tremolo’s in de piano. Uiteindelijk neemt de piano de melodische lijn van de cello over en leidt een lange stilte in. Daarna keert het Moderato terug in een sterk gevarieerde en uitgewerkte vorm. Via een poco a poco accelerando vloeit dit over in een Allegro waarvan de begeleidingsfiguur de idee van het Moderato voortzet maar waarin ook nieuwe ritmische motieven opduiken. Nadat de cello zich heeft uitgeleefd in enige fraaie melismen, rustig beantwoord door de piano en waarvan de laatste de dimensie van een echte solocadens aanneemt, bereikt de Sonate bijna onopgemerkt haar einde. Zoals Ruyneman terecht concludeert: “Een speelstuk, dat eer bekoort door intense muzikaliteit dan door uiterlijk effect en virtuositeit”.
 
literatuur:
Daniel Ruyneman, De Componist Jan Ingenhoven (Amsterdam, N.V. De Spieghel, z.j.)
 
opname:
beide sonates: zie Discografie
 
 
(mei 2007)

Componisten

Alkema, Henk

Harlingen, 20 november 1944
Utrecht, 4 augustus 2011

Appy, Ernest

Den Haag, 25 oktober 1834
Kansas City, 2 augustus 1895

Badings, Henk

Bandoeng (Java), 17 januari 1907
Maarheeze, 26 juni 1987

Bijvanck, Henk

Koedoes (Java), 6 november 1909
Heemstede, 5 september 1969

Bouman, Antoon

’s Hertogenbosch, 18 oktober 1854
Wassenaar, 23 maart 1906

Bunge, Sas

Amsterdam, 19 juli 1924
Utrecht, 17 juli 1980

Dispa, Robert

Sint-Pieters-Leeuw (België), 19 september 1929
Hengelo (O), 6 maart 2003

Frid, Géza

Máramarossziget (Hongarije, thans Roemenië), 25 januari 1904
Beverwijk, 13 september 1989

Godron, Hugo

Amsterdam, 22 november 1900
Zoelmond, 6 december 1971

Kes, Willem

Dordrecht, 16 februari 1856
München, 22 februari 1934

Ketting, Otto

Amsterdam, 3 september 1935
Den Haag, 13 december 2012

Lilien, Ignace

Lemberg (thans Lviv, Oekraïne), 29 mei 1897
Den Haag, 10 mei 1964

Mul, Jan

Haarlem, 20 september 1911
Haarlem, 30 december 1971

Osieck, Hans

Amsterdam, 25 januari 1910
Bloemendaal, 22 juni 2000

Stam, Henk

Utrecht, 26 september 1922
Suawoude, 9 december 2002

Witte, G. H.

Utrecht, 16 november 1843
Essen (D), 3 februari 1929