Rotterdam, 15 augustus 1859
Den Haag, 14 november 1943
 
 
Sonate in C opus 4
circa 1882
delen:
1. Adagio
2. Scherzo (Allegro comodo)
3. Finale (Molto Allegro appassionato)
tijdsduur: circa 23′;
uitgever: Cranz, Leipzig circa 1883;
opgedragen aan J.J. van Stolk;
te downloaden op de site Muziekschatten van de Muziekbibliotheek van de Omroep.
 
 
Wouter Hutschenruyter was wat we tegenwoordig een multi-talent zouden noemen. Bovendien was hij iemand die vond dat je niet alles tegelijk moest doen, zodat we zijn muzikale leven in vier periodes kunnen onderverdelen.
 
Hij stamde uit een Rotterdamse muziekdynastie: zijn grootvader Wouter (sr.) was componist, zijn vader Willem kapelmeester van het harmonie-orkest van de Rotterdamse schutterij, en zijn jongere broer Willem hoornist.
Aan de muziekschool, waar Woldemar Bargiel en Friedrich Gernsheim tot zijn leraren behoorden, had hij les in viool, piano en theoretische vakken en vanaf 1876 trad hij regelmatig op als pianist. Van 1879 tot 1885 was hij zelf pianoleraar aan de muziekschool. In 1881 verscheen bij uitgeverij Schott (Mainz) zijn opus 1. In de dubbelrol van componist en pianist had hij veel succes met zijn pianoconcert opus 5 (1883).
 
Al in 1879 was hij benoemd tot tweede kapelmeester bij het harmonie-orkest van de Rotterdamse schutterij. In 1889 dirigeerde hij de wereldpremière van zijn orkestsuite opus 8 in Berlijn. In 1890 werd hij door Willem Kes uitgenodigd als tweede dirigent bij het Concertgebouworkest. Hij bleef daar twee jaar en werd toen dirigent van het harmonie-orkest van de schutterij in Utrecht. In 1894 fuseerde dit ensemble met dat van het Muziek College tot het Utrechts Stedelijk Orkest, waarvan Hutschenruyter de eerste dirigent werd. Vanuit een consistente visie slaagde hij erin het speelniveau van het orkest opvallend te verbeteren en de programmering te vernieuwen (onder meer door het invoeren van ‘volksconcerten’ in 1898). Daarin ruimde hij ook veel plaats in voor Nederlandse en nieuwe muziek. In 1903 verzorgde het orkest samen met de Arnhemse Orkestvereniging de Nederlandse première van Mahlers derde symfonie en in 1906 in Essen, samen met het plaatselijke orkest (waarover de uit Utrecht afkomstige Hendrik Witte de scepter zwaaide), de wereldpremière van Mahlers zesde symfonie onder leiding van de componist. Inmiddels had hij in 1896 de opvoering van de Ring der Nibelungen in Bayreuth gerecenseerd – overigens worden zijn voor concertant gebruik bestemde bewerkingen van Wagners Walkürenritt en Waldweben tot op de dag van vandaag uitgevoerd – en in 1898 de eerste Nederlandstalige biografie van Richard Strauss gepubliceerd.
 
In 1917 verliet hij het orkest en werd hij directeur van de muziekschool van Toonkunst in Rotterdam. Hij zou dat blijven tot 1925 en trok zich toen terug in Den Haag. Daar schreef hij  Consonanten en dissonanten. Mijn herinneringen (1930) en tal van muziekhistorische studies. Als laatste voltooide hij een biografie van Franz Schubert (1944).
Al met al heeft hij duizenden brieven, honderden artikelen en beschouwingen en tientallen boeken nagelaten.
 
In de korte tijd dat hij gecomponeerd heeft, schreef Wouter Hutschenruyter, min of meer gelijktijdig met zijn succesvolle pianoconcert, twee sonates: de vioolsonate opus 3 en de cellosonate opus 4.
Het eerste deel van de cellosonate heeft een driedelige vorm A – B – A’. Het basistempo (A) is een gedragen Adagio, dat alle recht doet aan zijn toonsoort c-klein. Het middendeel (B) heeft als karakteraanduiding Molto più animato en drukt innerlijke onrust uit, enerzijds doordat de tonica g-klein tot tweemaal toe vrij lang wordt uitgesteld en anderzijds door de gelijktijdige combinatie van een binaire (cello) en ternaire (piano) 6/8 maat. De recapitulatie (A’) moduleert halverwege naar C-groot, zodat het deel getroost eindigt.
Het Scherzo, in Es-groot, heeft weliswaar Allegro comodo als karakteraanduiding, maar moet duidelijk per hele maat gevoeld worden, zodat het een beweeglijk, zij het nooit hectisch karakter krijgt. Het Trio, in g-groot, is zelfs nog wat sneller.
De Finale, wederom in c-klein, is bijzonder onstuimig en blijft dat ook nadat ze op ongeveer 2/3 naar C-groot gemoduleerd is. In die toonsoort wordt ook het bijzonder bondige einde bereikt.
 
 
(13 augustus 2014)

Componisten

Alkema, Henk

Harlingen, 20 november 1944
Utrecht, 4 augustus 2011

Appy, Ernest

Den Haag, 25 oktober 1834
Kansas City, 2 augustus 1895

Badings, Henk

Bandoeng (Java), 17 januari 1907
Maarheeze, 26 juni 1987

Bijvanck, Henk

Koedoes (Java), 6 november 1909
Heemstede, 5 september 1969

Bouman, Antoon

’s Hertogenbosch, 18 oktober 1854
Wassenaar, 23 maart 1906

Bunge, Sas

Amsterdam, 19 juli 1924
Utrecht, 17 juli 1980

Dispa, Robert

Sint-Pieters-Leeuw (België), 19 september 1929
Hengelo (O), 6 maart 2003

Frid, Géza

Máramarossziget (Hongarije, thans Roemenië), 25 januari 1904
Beverwijk, 13 september 1989

Godron, Hugo

Amsterdam, 22 november 1900
Zoelmond, 6 december 1971

Kes, Willem

Dordrecht, 16 februari 1856
München, 22 februari 1934

Ketting, Otto

Amsterdam, 3 september 1935
Den Haag, 13 december 2012

Lilien, Ignace

Lemberg (thans Lviv, Oekraïne), 29 mei 1897
Den Haag, 10 mei 1964

Mul, Jan

Haarlem, 20 september 1911
Haarlem, 30 december 1971

Osieck, Hans

Amsterdam, 25 januari 1910
Bloemendaal, 22 juni 2000

Stam, Henk

Utrecht, 26 september 1922
Suawoude, 9 december 2002

Witte, G. H.

Utrecht, 16 november 1843
Essen (D), 3 februari 1929