Amsterdam, 23 juli 1825
Utrecht, 14 mei 1904
 
foto: NMI
 
 
Saïdjah (Poème du Max Havelaar “ik weet niet waar ik sterven zal”). Elégie pour Violoncelle ou Violon avec accompagnement de Piano opus 30
1860
tijdsduur: circa 6’;
uitgever: Roothaan & Co., Amsterdam 1863;
nieuwe uitgave: Albert Roothaan, Amsterdam 1879;
opgedragen aan “Monsieur le Baron W. Taets van Amerongen” (uitgave 1879);
te downloaden op de site Muziekschatten van de Muziekbibliotheek van de omroep en op ISMLP / Petrucci (uitgave 1879).
 
 
Richard Hol was een van de meest invloedrijke figuren uit het Nederlandse muziekleven van de tweede helft van de negentiende eeuw. Vanaf 1857 dirigeerde hij het Amsterdamse Toonkunstkoor. Vijf jaar later vertrok hij naar Utrecht, waar hij tot zijn dood de stadsconcerten zou leiden.  Ook was hij er dirigent van de studentenconcerten en het Toonkunstkoor. Van 1869 tot 1888 was hij Domorganist en vanaf 1875 directeur van de Stedelijke Muziekschool, waar hij ook zang, muziektheorie en muziekgeschiedenis doceerde. In datzelfde jaar werd hij voorzitter van de nieuw opgerichte Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging. Vanaf 1878 was hij tevens werkzaam in Den Haag, waar hij vanaf 1883 in Diligentia elk jaar enkele concerten met nieuwe muziek dirigeerde. Van 1891 tot 1893 dirigeerde hij de ‘klassieke concerten’ in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam. Ondanks zijn belangstelling voor nieuwe muziek – hij was bijvoorbeeld een warm pleitbezorger van de muziek van Johannes Brahms, maar ook van Berlioz, Liszt en Wagner – wortelen zijn eigen symfonische composities nog sterk in de muziek van Beethoven en Mendelssohn, al kan hem bijvoorbeeld in zijn fraaie vierde symfonie (1889) een eigen persoonlijkheid niet ontzegd worden. Richard Hol is ook de componist van populaire liederen als “In een blauw geruiten kiel”,  “Waar de blanke top der duinen” en “De paden op, de lanen in”.
 
Richard Hol moet wel tot de eerste lezers van Max Havelaar behoord hebben, want Multatuli (Eduard Douwes Dekker) had het boek in mei 1860 gepubliceerd. Het geldt als een van de grootste en belangrijkste werken uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Die status dankt het boek zowel aan zijn literaire kwaliteiten als aan de onverholen kritiek op de wanpraktijken van het koloniale regime in Nederlands Oost-Indië. De combinatie van deze thematiek met een zes minuten durende elegie voor cello en piano komt op het eerste gezicht wat bevreemdend over, maar Richard Hol heeft zijn compositie bedoeld bij een specifieke episode uit Multatuli’s meesterwerk: het verhaal van Saïdjah en Adinda. Saïdjah vertrekt uit zijn dorp Badoer om werk te zoeken in Batavia. Hij belooft Adinda na drie jaar terug te keren en met haar te trouwen. Onderweg zingt hij het lied ‘Ik weet niet waar ik sterven zal’ en het is dit lied dat Hol tot zijn compositie geïnspireerd heeft. Saïdjah stelt zich voor dat hij sterft op zee, in een brandend huis, door een val uit een klappa-boom en van ouderdom. En steeds voegt hij eraan toe dat hij dan de klaagzangen niet zal horen. Maar in de laatste strofe zingt hij: “Als ik sterf te Badoer, en men begraaft mij buiten de dessah, / oostwaarts tegen den heuvel, waar ’t gras hoog is, / Dan zal Adinda daar voorbijgaan, en de rand van haar sarong zal / zachtkens voortschuiven langs het gras… / Ik zal het horen”. De elegie, in de toonsoort e-klein, is een uitgesproken romantisch werk in de zin dat Hol er probeert de grote innerljke bewogenheid van Saïdjah tot uitdrukking te brengen. Na een korte ontspanning  (Tranquillo) in C-groot, neemt die bewogenheid (Agitato, weer in e-klein) steeds meer toe. Het is vervolgens verleidelijk het daaropvolgende Con molto espressione in E-groot, dat berusting of rust suggereert en waarmee de elegie afsluit, als een muzikale uitdrukking van de laatste strofe te zien. Met Saïdjah en Adinda loopt het overigens gruwelijk af. Saïdjah vindt het verminkte lijk van Adinda terug in een door soldaten uitgemoord dorp en stort zich op de bajonetten van de soldaten.
 
(kleine aanvulling)
In zijn boek De dichter als idool (2016) schrijft Rick Honings: “Reeds in 1860 zette de componist Richard Hol het dramatische ‘Ik weet niet waar ik sterven zal’, het elegische lied van Saïdjah, op muziek. Aanvankelijk had hij het geschreven voor cello, maar uiteindelijk verscheen er een uitgave voor piano, omdat dit commercieel interessanter was. Tot Multatuli’s spijt, aangezien hij dat maar een ‘laf instrument’ vond. Het stuk werd nog datzelfde jaar uitgevoerd ” (p.369).
En in zijn Minnebrieven (1861) laat Multatuli Fancy schrijven: “Antwoord terstond of ik m’n piano mag meenemen… hoewel die niet zal verbeteren in zo’n gesticht. Ach, ik ook niet misschien… om ’t even! Ik speel de Saïdjah van RICHARD HOL ‘heel lief’ en zou ’t niet jammer wezen als ik nu in dat tuchthuis… ” (geciteerd uit de zevende druk, 1881).
 
 
(8 augustus 2014)

Componisten

Alkema, Henk

Harlingen, 20 november 1944
Utrecht, 4 augustus 2011

Appy, Ernest

Den Haag, 25 oktober 1834
Kansas City, 2 augustus 1895

Badings, Henk

Bandoeng (Java), 17 januari 1907
Maarheeze, 26 juni 1987

Bijvanck, Henk

Koedoes (Java), 6 november 1909
Heemstede, 5 september 1969

Bouman, Antoon

’s Hertogenbosch, 18 oktober 1854
Wassenaar, 23 maart 1906

Bunge, Sas

Amsterdam, 19 juli 1924
Utrecht, 17 juli 1980

Dispa, Robert

Sint-Pieters-Leeuw (België), 19 september 1929
Hengelo (O), 6 maart 2003

Frid, Géza

Máramarossziget (Hongarije, thans Roemenië), 25 januari 1904
Beverwijk, 13 september 1989

Godron, Hugo

Amsterdam, 22 november 1900
Zoelmond, 6 december 1971

Kes, Willem

Dordrecht, 16 februari 1856
München, 22 februari 1934

Ketting, Otto

Amsterdam, 3 september 1935
Den Haag, 13 december 2012

Lilien, Ignace

Lemberg (thans Lviv, Oekraïne), 29 mei 1897
Den Haag, 10 mei 1964

Mul, Jan

Haarlem, 20 september 1911
Haarlem, 30 december 1971

Osieck, Hans

Amsterdam, 25 januari 1910
Bloemendaal, 22 juni 2000

Stam, Henk

Utrecht, 26 september 1922
Suawoude, 9 december 2002

Witte, G. H.

Utrecht, 16 november 1843
Essen (D), 3 februari 1929