pijper

Pijper, Willem

Zeist, 8 september 1894
Leidschendam, 18 maart 1947

Sonate no.1
1919
delen:
1. Maestoso (Lento ma non troppo)
2. Nocturne
3. Finale. Maestoso (Andante moderato)
tijdsduur: circa 17-18′;
uitgever: Broekmans & van Poppel, Amsterdam z.j.;
eerste uitvoering: Amsterdam, 19 september 1919 door Marix Loevensohn en Willem Pijper;
opgedragen aan Marix Loevensohn;
vindplaats: Nederlands Muziek Instituut.

Sonate no.2
1924
delen:
1. Larghetto grazioso
2. Allegro pesante, ma agitato
3. Molto lento
tijdsduur: circa 12-13′;
uitgever: Oxford University Press, Londen 1925;
heruitgave: Donemus, Amsterdam 1973;
opgedragen aan Marix Loevensohn.

 

www.willempijper.nl

 

Willem Pijper werd geboren in Zeist. Hij deed in 1915 examen muziektheorie aan de Toonkunst-muziekschool in Utrecht (het latere Utrechts Conservatorium) en had compositieles van Johan Wagenaar. Hij begon zijn carrière als muziekcriticus bij het Utrechts Dagblad. Tegelijkertijd was hij leraar compositie aan het Amsterdams Muzieklyceum. In deze periode raakte hij verwikkeld in een heftig conflict met de dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest (USO), de componist Jan van Gilse, die als gevolg daarvan uit Utrecht vertrok.[1] In 1925 werd Pijper benoemd tot hoofddocent instrumentatie aan het Amsterdams Conservatorium. In 1926 richtte hij het tijdschrift De Muziek op, samen met Paul F. Sanders. Van 1930 tot zijn dood was hij directeur van het Rotterdams Conservatorium. Tot zijn leerlingen behoren Henk Badings, Bertus van Lier, Henriëtte Bosmans, Oscar van Hemel, Guillaume Landré, Hans Henkemans, Kees van Baaren en Rudolf Escher.
Willem Pijper overleed in 1947 op 52-jarige leeftijd in Leidschendam. Op de Kop van Zuid in Rotterdam staat een bronzen beeld van Pijper, gemaakt door Willem Verbon.
Als componist werd Pijper eerst beïnvloed door de Duitse laat-romantiek en in het bijzonder Gustav Mahler, zoals blijkt uit zijn eerste symfonie (1917). Al snel wendde hij zich tot het Franse impressionisme van Claude Debussy en Maurice Ravel. Na 1920 streefde hij naar een “absolutistische” muziek, die vrij moest zijn van literaire verwijzigingen. Zijn leidsmannen werden toen vooral Darius Milhaud, Igor Stravinsky en Béla Bartók. In zijn werken gebruikte hij polytonaliteit en polyritmiek. Als compositiemethode hanteerde hij de door hemzelf bedachte kiemceltechniek, waarbij allerlei motieven zich afzetten tegen een klankcentrum dat grotendeels onveranderlijk blijft. Enigszins verrassend kan zijn voorkeur voor Spaanse ritmen zoals tango en habanera genoemd worden. Zijn ritmisch scherpe en kortaangebonden stijl meed lyrische momenten.
Vanaf ongeveer 1932 ging Pijper milder en doorzichtiger componeren. In die jaren schreef hij de opera’s Halewijn en Merlijn (de laatste onvoltooid). Ook al koos hij een principieel andere weg dan de atonaliteit en de twaalftoonstechniek van de Tweede Weense School, hij heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de moderne muziek in Nederland.
Willem Pijper schreef ook maçonnieke muziek, waaronder de Zes Adagio’s (1940), waarvan het manuscript zich bevindt in het Cultureel Maçonniek Centrum ‘Prins Frederik’ in Den Haag.