geza

Frid, Géza

Máramarossziget (Hongarije, thans Roemenië), 25 januari 1904
Beverwijk, 13 september 1989

Sonate en 5 pièces opus 9
1931
delen:
1. Prélude. Moderato
2. Tarantella. Molto vivo
3. Prière. Andante doloroso (cello solo)
4. Choral. Religioso (piano solo)
5. Final. Aleegro molto, vivace
tijdsduur: ca. 14′;
uitgever: Donemus, Amsterdam 1951;
opgedragen aan Marix Loevensohn.

 

www.geza.frid.nl

 

De Nederlandse componist van Hongaarse afkomst Géza Frid (1904 – 1989) behoort tot de sleutelfiguren van ons nationale, naoorlogse muziekleven. Het uiterst gevarieerde en omvangrijke oeuvre van Géza Frid – ruim 100 geregistreerde composities – laat zich niet gemakkelijk onder één noemer vangen. Karakteristiek voor zijn schrijfwijze is in elk geval zijn markante gevoel voor ritme en een melodische fantasie die is geworteld in de muziekfolklore van zijn geboorteland. Zijn werken, vaak in opdracht geschreven, zijn geïnspireerd door Bartók , Debussy en Ravel . Een reeks kamermuziekstukken is er van zijn hand verschenen in alle mogelijke bezettingen, waaronder vijf kwartetten, maar ook veel viool- en pianomuziek, talrijke orkestwerken, opera- en balletmuziek, vocale werken, muziek voor uiteenlopende blaasinstrumenten etc.
Zijn eerste werken beleefden hun première in Budapest, maar de Suite voor orkest, opus 6, werd in 1930 ten doop gehouden in Parijs door Pierre Monteux, waarna uitvoeringen volgden door het Concertgebouworkest en het Boston Symphony Orchestra in New York .  In 1969 schreef Frid voor Emmy Verhey en de broers Christiaan en Dick Bor zijn Concert voor drie violen en orkest, opus 78 . “Een unicum in de `vioolconcertliteratuur”, aldus Wouter Paap in Mens & Melodie , april 1970. Een van zijn meest uitgevoerde composities is ongetwijfeld het Concert voor twee violen en orkest, opus 55 , dat in 1952 zijn première beleefde door het onnavolgbare duo Herman Krebbers en Theo Olof met het Residentie orkest onder leiding van Willem van Otterloo.
Twee keer kreeg hij de Muziekprijs van Amsterdam, in 1949 en 1954, resp. voor zijn Paradou, opus 28, voor groot orkest en Etudes Symfoniques, opus 47, eveneens voor groot orkest. Een tweede prijs ontving Frid in 1950 in de compositiewedstrijd van de Wereldomroep en de K.N.T.V. voor zijn Variaties op een Nederlands volkslied, opus 29, voor koor en orkest. Een tweede prijs was er ook in 1956 van het ministerie van O.K. en W. voor de Sonate voor viool en piano, opus 50. Frids Derde strijkkwartet, opus 30 en Vierde Strijkkwartet, opus 50a, verdienden bij het Concours International à Cordes in Luik in 1951 en 1956 resp. een derde en vierde prijs. Voor zijn hele oeuvre kreeg Géza Frid als “internationaal vermaard musicus van Hongaarse afkomst” in 1990, postuum, van de Hongaarse regering de prestigieuze Béla Bartók prijs.
Géza Frid treedt als zesjarig wonderkind voor het eerst als pianist in het openbaar op in zijn geboortestad Máramarossziget. Hij krijgt les van de directeur van de plaatselijke muziekschool. Alles speelt hij met groot gemak en uit het hoofd, “meestal zigeunerachige Hongaarse liederen van twijfelachtige kwaliteit”, zoals Frid zich herinnert. In 1912 verhuizen zijn ouders naar Budapest om hun zoon daar te laten studeren aan de Ferenc Liszt Muziekacademie. Daar krijgt hij o.a. les van grootheden als Béla Bartók (piano) en Zoltán Kodály (compositie), met wie hij ook na zijn vertrek uit Hongarije een vriendschappelijk en collegiaal contact onderhoudt. In 1924 doet hij als enige in de geschiedenis van de Hogeschool eindexamen in twee hoofdvakken tegelijk, piano en compositie. Wegens het opkomend fascisme verlaat hij al spoedig zijn geboorteland, woont enige tijd in Frankrijk en Italië, en maakt met de Hongaarse violist Zoltán Székely een reeks concertreizen door Europa. In 1929 vestigt Frid zich definitief in Nederland. Als kosmopoliet verkiest hij uiteindelijk Amsterdam boven Brussel, Londen en Parijs, vanwege het muzikale klimaat natuurlijk doch tevens, zo bekent hij in 1984 in zijn autobiografie, vanwege “de merkwaardige en voor mij steeds acute aantrekkingskracht van de Hollandse meisjes!”. In 1937 trouwt hij in zijn woonplaats Amsterdam met de zangeres en pianiste Ella van Hall; in 1939 krijgen zij een zoon, Arthur .
Als succesvol concertpianist, maar ook als vertolker van kamermuziek maakt hij talloze tournees over de gehele wereld. In 1948 vertrekt Géza Frid als eerste Nederlandse kunstenaar naar Indonesië, waar hij gedurende twee maanden meer dan veertig concerten en pianorecitals geeft en tevens de zieke dirigent Yvon Baarspul vervangt bij het Radio Filharmonisch Orkest te Djakarta. In 1951 en 1956 treedt hij opnieuw op als solist in Indonesië. Frid concerteert voorts o.a. in Italië (1926, 1955, 1965), Siam en Egypte (1951), Israël (1962, 1965, 1967), Zuid- en Noord-Amerika (1965, 1967), Turkije (1965), Suriname en de Nederlandse Antillen (1970), de Verenigde Staten (1970, 1974) en in Hongarije (1971, 1974).
Hij begeleidt onder meer de vooroorlogse vocale grootheden Ilona Durigo en Elisabeth Schumann. Met de pianist Luctor Ponse vormt hij een duo. Van hun samenwerking getuigt nog de spetterende Sonate voor twee piano´s en percussie van Béla Bartók, met leden van het Londons Symphonie Orkest olv Antal Doráti uit 1960 (Mercury Living Presence, CD 434 362-2, 1995). Frid treedt op met vooraanstaande solisten als de zanger Guus Hoekman en de violisten Henryk Szering, Elise Cserfalvi, Jo Juda en Christiaan Bor . Tevens is hij vaste begeleider van de sopraan Erna Spoorenberg ; samen maken zij in 1963 als eerste Nederlandse musici na de tweede wereldoorlog een tournee door de Sovjet-Unie.
Tijdens de bezetting kan Frid als statenloos Jood niet optreden; hij is actief als vervalser van bonnen en persoonsbewijzen en neemt deel aan het kunstenaarsverzet. In 1948 wordt hij, eindelijk, genaturaliseerd. De pianist Frid ontpopt zich dan als een veelzijdig scheppend en uitvoerend kunstenaar; componist, pedagoog en auteur/recensent. Na de oorlog is hij enige jaren docent aan het Muzieklyceum te Rotterdam en van 1964 tot 1970 hoofdleraar kamermuziek aan het Utrechts Conservatorium.Hij vervult allerlei bestuursfuncties in de muziekwereld, o.a. ruim twintig jaar bij Buma.
In de jaren vijftig begint Frid ook artikelen te schrijven in Nederlandse muziektijdschriften over uiteenlopende onderwerpen en musici. Zo wijdt hij in de loop der jaren alleen al elf stukken aan Kodály en liefst vijfentwintig uitvoerige artikelen aan Bartók. In 1955 wordt het Bartók-Genootschap opgericht met Géza Frid als voorzitter. Van 1954 tot 1970 is hij muziekrecensent bij Het Vrije Volk. Twee boeken – beide helaas niet meer te verkrijgen – verschijnen er van zijn hand. In 1976 ‘Oog in oog met . . .’ (Uitg. Heuff, Nieuwkoop, met een voorwoord van Theo Olof) over zijn contact met zeven grote persoonlijkheden: Tolstoj , Thomas Mann, Bomans, Mussolini, Mengelberg, Bartók en Ravel . In 1984 komt zijn lijvige autobiografie uit (291 blz., Uitg. Strengholt, Naarden, met een voorwoord van Lex van Delden): ‘In tachtig jaar de wereld rond’ . Voor zijn propagandistische werk krijgt Frid van de Hongaarse regering zowel de Bartókpenning als de Kodálypenning. Op zijn zeventigste verjaardag wordt hij tijdens een jubileumconcert in het Concertgebouw namens het Genootschap van Nederlandse componisten toegesproken door Nico Schuyt en geridderd door wethouder Brautigam. Uit naam van zijn Hongaarse muziekvrienden voeren Béla Bartók jr. en de jonge echtgenote van Kodály het woord.