Bandoeng (Java), 17 januari 1907
Maarheeze, 26 juni 1987
 
 
Sonate no.1
1929
delen:
1. Allegro
2. Lento moderato
3. Allegro vivace
tijdsduur: circa 12′;
uitgever: Donemus, Amsterdam 1948.
 
Sonate no.2
1935
delen:
1. Allegro molto
2. Adagio
3. Allegro vivace
tijdsduur: circa 16′;
uitgever: Alsbach & Co, Amsterdam z.j.;
opgedragen aan Bernard van den Sigtenhorst Meyer;
vindplaats: Muziekbibliotheek vam de Omroep;
te downloaden op de site Muziekschatten van de Muziekbibliotheek van de Omroep.
 
Vier voordrachtstukken
1947
delen:
1. Serenade
2. Scherzo pizzicato
3. Air triste
4. Rondo giocoso
tijdsduur: ca 18’30”;
uitgever: Donemus, Amsterdam 1947.
 
 
Henk Badings arriveerde in 1915, na de dood van zijn vader, samen met zijn moeder en zijn oudere broer in Nederland. Zijn moeder overleed een jaar later en Badings werd in een pleeggezin geplaatst.
Na zijn middelbare schooltijd stemde zijn pleegvader er niet mee in dat hij een kunstvakopleiding zou volgen. Daarom schreef hij zich in 1924 in aan de technische hogeschool van Delft, waar hij in 1931 cum laude afstudeerde als mijnbouwkundig ingenieur. In 1934 promoveerde hij in de historische geologie en paleontologie.
Gedurende deze periode verdiepte Badings zich, hoofdzakelijk autodidactisch, in de muziektheoretische vakken. Rond 1930 was hij enige tijd leerling van Willem Pijper, maar hun opvattingen liepen zo uiteen dat met een gerust hart gezegd kan worden dat Pijper niet of nauwelijks invloed op Badings’ componeren heeft gehad. Wel spoorde hij hem aan een orkestwerk te schrijven: de eerste symfonie, die in 1930 werd uitgevoerd door het Concertgebouworkest. Hierop volgden nog vier symfonische werken, alle uitgevoerd door het Concertgebouworkest: het eerste celloconcert (1930, met Henk van Wezel als solist), de tweede symfonie (1932) en de derde symfonie (1934). Uit deze periode dateren ook de twee cellosonates, die qua ontwikkeling in elkaars verlengde liggen.
 
Tijdens de tweede wereldoorlog fungeerde Badings als directeur van het Koninklijk Conservatorium. Ook was hij lid van de Nederlandse Kultuurraad. Na de bevrijding kreeg hij een beroepsverbod opgelegd, dat echter in 1947 zou worden ingetrokken.
Na de oorlog hield hij zich intensief met elektronica bezig en experimenteerde hij met het 31-toonstelsel. Hij was onder meer werkzaam als docent akoestiek en informatica aan de Rijksuniversiteit van Utrecht en als professor voor compositie aan de Musikhochschule in Stuttgart. Hij was ook gasthoogleraar aan de universiteiten van Adelaide (Australië) en Pittsburgh (USA). Ook publiceerde hij een aantal boeken. Henk Badings werd vele malen onderscheiden.
 
Als kenmerken van de periode waarin beide cellosonates gecomponeerd zijn (1929-1940) gelden over het algemeen: een klassiek-romantische vorm, een donkere instrumentatie en, met name in de langzame delen (zoals het prachtige Adagio van de tweede cellosonate), een elegisch karakter: Men zou daar graag, ook voor de cellosonates, de grote speelsheid van met name de contrapuntische passages tegenover stellen.
Een ander kenmerk van deze periode is de exploratie van de octotonie. Badings heeft benadrukt dat de Javaanse muziek en de gamelanklanken uit zijn jeugd altijd in zijn hoofd zijn gebleven en dat hij vandaaruit altijd op zoek is geweest naar specifieke zwevingen en boventoonconstellaties. Een duidelijk voorbeeld van toegepaste octotonie is meteen al het begin van het eerste deel (C-groot) van de tweede cellosonate. In de linkerhand van de piano horen we in maat 1 een geoctaveerde dalende lijn c – bes – a met een middenstem g – ges – e. De cello speelt gelijktijdig het begin van het hoofdthema (maat 1): es – c – es – e, ondersteund door een des in de rechterhand van de piano en leidend naar een octotonische toonladder (maat 2): c – des – es – e – fis – g – a – bes.
 
De Vier Voordrachtstukken hebben tot op zekere hoogte de samenhang van een vierdelige sonate met een Scherzo als tweede en een Lento (Air triste) als derde deel. Maar de titel wordt geheel gerechtvaardigd door de lichte toets die het werk kenmerkt. Ook de Air triste, duidelijk het zwaartepunt, is eerder nostalgisch dan elegisch.
 
opname:
de twee sonates: zie Discografie
 
 
(29 augustus 2014)

Componisten

Alkema, Henk

Harlingen, 20 november 1944
Utrecht, 4 augustus 2011

Appy, Ernest

Den Haag, 25 oktober 1834
Kansas City, 2 augustus 1895

Bijvanck, Henk

Koedoes (Java), 6 november 1909
Heemstede, 5 september 1969

Bouman, Antoon

’s Hertogenbosch, 18 oktober 1854
Wassenaar, 23 maart 1906

Bunge, Sas

Amsterdam, 19 juli 1924
Utrecht, 17 juli 1980

Dispa, Robert

Sint-Pieters-Leeuw (België), 19 september 1929
Hengelo (O), 6 maart 2003

Frid, Géza

Máramarossziget (Hongarije, thans Roemenië), 25 januari 1904
Beverwijk, 13 september 1989

Godron, Hugo

Amsterdam, 22 november 1900
Zoelmond, 6 december 1971

Kes, Willem

Dordrecht, 16 februari 1856
München, 22 februari 1934

Ketting, Otto

Amsterdam, 3 september 1935
Den Haag, 13 december 2012

Lilien, Ignace

Lemberg (thans Lviv, Oekraïne), 29 mei 1897
Den Haag, 10 mei 1964

Mul, Jan

Haarlem, 20 september 1911
Haarlem, 30 december 1971

Osieck, Hans

Amsterdam, 25 januari 1910
Bloemendaal, 22 juni 2000

Stam, Henk

Utrecht, 26 september 1922
Suawoude, 9 december 2002

Witte, G. H.

Utrecht, 16 november 1843
Essen (D), 3 februari 1929