Haarlem, 17 september 1892
Haarlem, 12 april 1981
 
 
Sonate
1926
delen:
1. Andante tranquillo
2. Allegro capriccioso
3. Arioso. Adagio
4. Molto allegro, ma gracioso
tijdsduur: circa 17′;
uitgever: Éditions Maurice Senart, Paris 1928;
heruitgave: Donemus, Amsterdam 1966;
opgedragen aan Thomas Canivez.
 
 
Hendrik Andriessen stamt uit een echte kunstdynastie. Zijn moeder Gezina Vester was schilderes en zijn vader Nicolaas organist en koordirigent. Hendriks broers Willem en Mari waren respectievelijk concertpianist en beeldhouwer.

Vanaf 1914 studeerde Andriessen aan het Amsterdams Conservatorium orgel bij Charles de Pauw en compositie bij Bernard Zweers. Als aankomend componist werd hij echter het meest beïnvloed door Alphonse Diepenbrock.
Hendrik Andriessen had een sterke voorliefde voor Franse muziek en het is dan ook niet verwonderlijk dat het orgelwerk van César Franck een grote inspiratiebron voor hem vormde. Daarnaast onderhield hij persoonlijk contact met componisten als Albert Roussel, Gabriel Pierné en Darius Milhaud. Van de Duitse componisten kon vooral de liederencomponist Hugo Wolf hem bekoren. Hij trad ook veelvuldig op als liederenbegeleider.
Andriessen was hoofdvakleraar theorie aan het Amsterdams Conservatorium, docent orgel, improvisatie en gregoriaans aan de Rooms-Katholieke Kerkmuziekschool in Utrecht en organist-dirigent van de Utrechtse Kathedraal. In 1937 werd hij zowel directeur van het Utrechts Conservatorium als hoofddocent compositie aan het Amsterdams Conservatorium. Tijdens de tweede wereldoorlog werd Andriessen ernstig beperkt in zijn muzikale activiteiten tengevolge van zijn weigering lid te worden van de Kultuurkamer. Hij was zelfs enige tijd geïnterneerd in de kampen Haaren en St. Michielsgestel.
Van 1949 tot 1957 was Andriessen directeur van het Koninklijk Conservatorium en van 1952 tot 1963 hoogleraar muziekwetenschap aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Tot Andriessens belangrijkste leerlingen behoren Albert de Klerk, Herman Strategier en Jan Mul. Hij is tevens de vader van de componisten Louis Andriessen en Jurriaan Andriessen.Naast zijn composities voor orgel (bijvoorbeeld de Sonata da Chiesa uit 1926 en de Passacaglia uit 1929), zijn kerkmuziek (missen met en zonder orgel), zijn liederen (bijvoorbeeld Miroir de peine op gedichten van Henri Ghéon uit 1923 en Trois Pastorales op gedichten van Arthur Rimbaud uit 1935) en zijn orkestwerken, waarvan met name de Variaties en fuga op een thema van Johann Kuhnau (1935) en zijn Vierde Symfonie (1954) bekendheid genieten, nemen Andriessens kamermuziekwerken een geheel eigen plaats in.
Na een nooit uitgegeven Vioolsonate (1915) en een postuum verschenen Altvioolsonatine (1924), is de Sonate voor cello en piano (1926) de eerste sonate die Hendrik Andriessen het daglicht liet zien. Vanuit deze sonate kan een organische ontwikkeling worden gevolgd via de (Tweede) Vioolsonate (1931) en de Drie Inventionen voor viool en cello (1937) naar het Pianotrio uit 1939.
 
In haar architectuur presenteert de Sonate, geschreven in de opvallende toonsoort fis-klein, zich als zelfstandige uitwerking van het cyclische principe van César Franck. Een gelijkenis met de kiemceltechniek van Willem Pijper is daarbij hooguit oppervlakkig. Er is tevens sprake van een duidelijk bitonale stemvoering. Daarentegen ontbreekt nog de twaalftoonsthematiek, zoals Andriessen die later heeft gehanteerd in bijvoorbeeld de Drie Inventionen.
In haar mentaliteit vertoont de Sonate sterke verwantschap met de kamermuziek van Gabriel Fauré – een andere door Andriessen zeer bewonderde Franse componist -, omdat ook zij elk uiterlijk vertoont afwijst. Het zacht fluisterende einde van het elegant herfstachtige laatste deel is daar een duidelijk bewijs voor.
Hendrik Andriessen heeft de Sonate zelf uitgevoerd met cellisten als Thomas Canivez (die de eerste uitvoering van de Eerste Sonate van Matthijs Vermeulen heeft verzorgd) en Marix Loevensohn (die de Sonate van Henriëtte Bosmans en de Eerste Sonate van Willem Pijper heeft gecreëerd).
 
Behalve de hier gecatalogiseerde Sonate schreef Andriessen later nog de Sonate voor cello solo (1951), de Canzone met orkest (1965) en het Concertino met orkest (1970).
 
literatuur:
Anton de Jager, Paul Op de Coul, Leo Samama (red.), Duizend kleuren van muziek. Leven en werk van Hendrik Andriessen (Walburg Pers, Zutphen 1992)
 
opname:
zie Discografie
 
 
(13 juli 2014)
 
 
luistervoorbeeld Sonate:
 
 

Componisten

Alkema, Henk

Harlingen, 20 november 1944
Utrecht, 4 augustus 2011

Appy, Ernest

Den Haag, 25 oktober 1834
Kansas City, 2 augustus 1895

Badings, Henk

Bandoeng (Java), 17 januari 1907
Maarheeze, 26 juni 1987

Bijvanck, Henk

Koedoes (Java), 6 november 1909
Heemstede, 5 september 1969

Bouman, Antoon

’s Hertogenbosch, 18 oktober 1854
Wassenaar, 23 maart 1906

Bunge, Sas

Amsterdam, 19 juli 1924
Utrecht, 17 juli 1980

Dispa, Robert

Sint-Pieters-Leeuw (België), 19 september 1929
Hengelo (O), 6 maart 2003

Frid, Géza

Máramarossziget (Hongarije, thans Roemenië), 25 januari 1904
Beverwijk, 13 september 1989

Godron, Hugo

Amsterdam, 22 november 1900
Zoelmond, 6 december 1971

Kes, Willem

Dordrecht, 16 februari 1856
München, 22 februari 1934

Ketting, Otto

Amsterdam, 3 september 1935
Den Haag, 13 december 2012

Lilien, Ignace

Lemberg (thans Lviv, Oekraïne), 29 mei 1897
Den Haag, 10 mei 1964

Mul, Jan

Haarlem, 20 september 1911
Haarlem, 30 december 1971

Osieck, Hans

Amsterdam, 25 januari 1910
Bloemendaal, 22 juni 2000

Stam, Henk

Utrecht, 26 september 1922
Suawoude, 9 december 2002

Witte, G. H.

Utrecht, 16 november 1843
Essen (D), 3 februari 1929